Al langere tijd heb ik problemen met het concept ‘dierentuin’: nu we zoveel digitale mogelijkheden hebben om dieren in vrijheid en hun natuurlijke omgeving te bewonderen, vond ik dat achterhaald. Het zien van die prachtige wilde dieren, gereduceerd tot attractie, ijsberend achter metalen hekken en in te kleine verblijven, brak mijn hart, waardoor ik uit principe al jaren niet meer naar dierentuinen ben geweest. Alleen had ik mijn aanname niet gecheckt, en ook dat gaat tegen mijn principes in. Tijd om me er eens in te verdiepen dus.

De oorsprong van dierentuinen ligt in de middeleeuwen: koningen en keizers verzamelden exotische dieren als vertoon van macht en rijkdom. Ze gaven elkaar wilde dieren cadeau, alsof het dingen waren. In de negentiende eeuw werden ze, onder meer door het verval van de adel, publieke instellingen waar burgers kennis konden maken met ‘de wilde natuur’, vaak in kooien die meer weg hadden van vitrines dan leefomgevingen. Later kwamen er wel grotere verblijven, maar het doel bleef vermaak.
Door voortschrijdende inzichten begon het zwaartepunt voor dierentuinen aan het eind van de twintigste eeuw te verschuiven naar conservatie. Er werden fokprogramma’s gestart voor bedreigde soorten, waar in een aantal gevallen succesvolle herintroductie uit voortvloeide. De Europese bizon in Polen en Roemenië, het Przewalskipaard in Mongolië, en de Californische condor en de zwarte voetbunzing in de VS zouden bijvoorbeeld niet meer bestaan zonder de inzet van dierentuinen.
Er werd steeds meer onderzoek gedaan naar gedrag, maar nog belangrijker: naar gezondheid, zoals ziektes die wilde populaties bedreigen en de ecologische systemen waarin dieren leven, en er werd meer geïnvesteerd in educatie. Allemaal met als doel uitsterving van bepaalde diersoorten te helpen voorkomen.
Die inspanningen kunnen niet worden vervangen door digitale oplossingen.
Film laat altijd maar een deel van de werkelijkheid zien. De maker kiest een hoek, een moment, een stukje van het landschap. Je ziet dus nooit wat er allemaal om een dier heen gebeurt, niet in tijd en niet in afstand. En digitale beelden kunnen je veel laten zien, maar ze kunnen niets dóen. Ze kunnen geen dieren verzorgen, geen bedreigde soorten fokken, geen zieke dieren behandelen, geen dieren voorbereiden op terugkeer in het wild. Ook voor educatie is het van grote toegevoegde waarde om dieren in het echt te kunnen zien: het zien, ruiken en horen van dieren zorgt voor een andere soort betrokkenheid dan een scherm.
Mijn aanname blijkt dus onterecht – sorry Artis! – maar ik vermoed dat ik lang niet de enige ben die ermee rondloopt. Hoe zou dat opgelost kunnen worden?
Nu ik zoveel meer weet, denk ik dat het primaire probleem zit in de associaties die de benaming ‘dierentuin’ bij mensen oproept: dat doet nog steeds denken aan dieren die worden tentoongesteld ter vermaak van de mensen, terwijl de functie tegenwoordig voornamelijk draait om behoud, onderzoek en herstel.
Taal, dus woorden, namen en termen, beïnvloeden onze perceptie. Als dierentuinen zich biodiversiteitscentra, dierenonderzoekscentra of conservatie-instituten zouden gaan noemen, zou dat de huidige lading veel beter dekken. Het maakt meteen duidelijk dat de dieren er niet zitten voor het publiek, maar voor bescherming, kennis en het in stand houden van onze biodiversiteit die juist nu onder zo’n enorme druk staat.
Bezoekers worden daarmee gasten, die mogen komen kijken naar de dieren die worden onderzocht. Er zouden rondleidingen gegeven kunnen worden in plaats van permanente openstellingen, wat ook zorgt voor rust en voorspelbaarheid voor de dieren. En het zou het rap toenemende aantal natuurliefhebbers, die misschien net als ik al jaren niet meer hebben bijgedragen aan dierentuinen, enorm motiveren om structureel te doneren – je zou bezoeken zelfs kunnen koppelen aan de hoogte van donaties. De essentie is dan niet langer ‘kom kijken naar dieren’, maar ‘kom leren hoe we soorten kunnen behouden en draag er actief aan bij’.
Ik ben blij dat ik mijn aannames altijd check, en ik ben in dit geval net zo blij dat ik het bij het verkeerde eind had. Ik ga weer eens een uitje naar de dierentuin plannen, in de wetenschap dat ik daarmee iets goeds doe.
