Ik groeide op in de jaren 80, pittige jaren voor Amsterdam met veel werkloosheid, armoede, leegstand en torenhoge misdaadcijfers. Ik was een jaar of twaalf toen de stad, bij gebrek aan een stabiele thuissituatie, mijn speelterrein werd. Al snel kende ik alle routes, alle leuke en spannende plekjes en steeds meer mensen.
Ik begon te roken omdat iedereen van mijn leeftijd dat deed, en als mijn kop er niet naar stond (en dat was vaak) ging ik niet naar school – de stad was immers ook mijn leslokaal, en daar mocht ik tenminste bewegen en praten, of weglopen als ik mijn bui niet had of de les niet leuk vond.
Ik kwam vooral vaak in De Pijp met z’n vele coffeeshops en bruine kroegen. Ik ging er in mijn eentje heen, maar ik was er nooit alleen: de wijk, en dan met name de kroegen en coffeeshops, waren mijn thuis, waar ik deel uitmaakte van een enorm en dysfunctioneel gezin. Als ik binnenkwam waren het altijd dezelfde vertrouwde gezichten, als een moeder die op je heeft gewacht met koekjes en thee en vraagt hoe het op school was.
Mijn socialisatie vond plaats door scheld- of vechtpartijtjes met de jongeren en de wijze verhalen van de ouderen. Ik leerde wie ik kon vertrouwen en wie niet, en ik leerde er drinken en autorijden. Aan de bar hoorde ik verhalen over pas gezette kraken en er werden overal drugs verhandeld, maar hoewel ik met grote oren luisterde had ik er geen oordeel over: ik wist niet beter, en daarnaast, dit waren de mensen die me zonder voorbehoud in hun midden hadden opgenomen. It takes a village, of soms een bruine kroeg, to raise a child.
Ik bleef er nog ‘kind aan huis’ tot het einde van de negentiger jaren. Toen was ik – ook weer door schade en schande – mijn wilde haren kwijtgeraakt, en had een fijn leven opgebouwd met een echt, eigen thuis.
Wonderlijk genoeg begonnen rond die tijd ook de bruine kroegen waar ik was opgegroeid en die ik zo goed kende, te verdwijnen. Het was alsof mijn jonge jaren daarmee ook voorgoed oplosten in de tijd. Door uit te zoeken waarom mijn vroegere thuisplaatsen verloren gingen probeer ik er vrede mee te vinden.
Van walhalla naar regeltjes
Amsterdam was, zeker in de dertig jaar vóór de eeuwwisseling, een vrije stad waar alles kon. Heroïne deed in de jaren zeventig haar intrede, en de handel nam een vlucht waar het systeem geen vat op kreeg. In mijn ‘straatjaren’ was de politie bijvoorbeeld helemaal niet in beeld, en de boefjes uit mijn omgeving werden zelden of nooit opgepakt. Er waren geen invallen en er werden geen drugs- of alcoholcontroles uitgevoerd. Het beleid was gericht op opvang en zorg, niet op het voorkomen of terugdringen van gebruik.
In de jaren 90 begon de hoeveelheid coffeeshops en de cocaïnehandel toe te nemen, en daarmee nam de georganiseerde misdaad ook meer toe. De binnenstad kreeg steeds meer last van drugstoerisme. Amsterdam bleek een internationaal cocaïne-knooppunt, en andere Europese landen begonnen zich te beklagen over het Nederlandse gedoogbeleid.
Vanaf de eeuwwisseling werd het drugsbeleid en de strijd tegen witwassen veel strenger. Dat bracht met zich mee dat de bezem door de horeca ging en het toezicht veel strenger werd, waardoor het uitgaansleven enorm veranderde.
Neem er nog eentje
Alcoholgebruik werd vóór 2000 nog als normaal gezien. Het werd er al jong met de paplepel – nou ja, dit geval met een glaasje – in gegoten: je gaf je kinderen slokjes bier of wijn, ze mochten champagne meedrinken op Oud en Nieuw, en in de horeca werd er nauwelijks of niet gekeken naar leeftijd. Iedereen dronk op feestjes en het werd als raar gezien als je niet meedronk, en als je dronken was schonk de barman of -vrouw gewoon door. Drinken was normaal, en dat had gevolgen.
Tussen 1964 en 2000 verdubbelde het alcoholgebruik per hoofd van de bevolking van bijna 5 naar ruim 10 liter pure alcohol per jaar. In 2000 werd daarom de Drank- en Horecawet voor het eerst aangescherpt. Drank mocht niet meer verkocht worden in niet-levensmiddelenwinkels, tankshops en winkeltjes langs de snelweg. In verenigingen moest altijd iemand aanwezig zijn die een instructie over verantwoord Alcoholgebruik (IVA) had gevolgd. En misschien wel de belangrijkste wijziging die in 2000 werd doorgevoerd, was dat verstrekkers van alcohol voortaan vooraf moesten controleren of degene die drank wilde kopen of bestellen wel de vereiste leeftijd had.
Door de beperkingen en de maatschappelijke discussie die daardoor ontstond, ontstond er ook meer bewustzijn rond alcoholgebruik. Daarnaast was er al sinds de jaren 70/80 steeds meer aandacht voor gezond leven, denk bijvoorbeeld aan de fitnessrage (Jane Fonda of Debbie Jenner met haar Doris D & The Pins) en de focus op gezond eten. Alleen, gezond eten is duur. Na de oliecrisis in 1979 stonden we er economisch slecht voor. Die trok pas weer goed aan rond, jawel, 2000. Toen konden we allemaal gezond gaan leven en werd alcohol drinken steeds minder de norm. Vroeger was je een watje als je niet dronk, tegenwoordig ben je een watje als je wél drinkt.
Sigaretje d’r bij?
Niets is lekkerder dan een sigaretje bij een drankje. Dat is niet zomaar: die twee werken op elkaar in. Alcohol werkt vaatverwijdend, je voelt je warmer en meer ontspannen. Nicotine doet precies het tegenovergestelde: het vernauwt je bloedvaten en geeft een kort stimulerend effect. Ook verlaagt alcohol je remmingen en maakt je beloningssysteem gevoeliger, waardoor de behoefte aan een sigaret sneller opkomt. En als je die opsteekt, krijg je weer even een klein shotje alertheid dat de loomheid van alcohol even compenseert.
Net als alcoholgebruik was roken eind vorige eeuw heel gewoon. Volgens de WHO rookte rond 2000 één op de drie volwassen Nederlanders, en in Amsterdam lag dat waarschijnlijk nog iets hoger: grote steden hebben vaak hogere ‘rookcijfers’ door demografie (steden trekken groepen aan die gemiddeld vaker roken), stressfactoren (de stad is sneller, drukker en duurder) en leefstijl (meer sociale interactie, uitgaan, nachtleven).
Vanaf 2000 – wat is er toch met dat jaartal? – werd de accijns steeds verder verhoogd, kwamen er waarschuwingen op verpakkingen en werden reclames voor sigaretten verboden. Werkplekken werden vanaf 2004 verplicht rookvrij, en daar zou de laatste nekslag voor de traditionele cafés uit voortvloeien: vanaf 2008 werd het rookverbod geleidelijk ingevoerd, dat met wat horten en stoten in 2014 definitief voor alle soorten horeca en alle horecaruimtes gold.
De strijd tegen roken heeft overigens wel effect: inmiddels steekt nog maar één op de vijf Nederlanders regelmatig een sigaretje op. De grootste daling is te zien bij jongeren. Ook hiervoor geldt dat het beeld is veranderd: vroeger was je stoer als je er een opstak, nu word je sneller gezien als iemand die een verslaving niet onder controle kan krijgen.
Echte Amsterdammers
Het verschil tussen het Amsterdam in de jaren 80 en hoe het nu is had niet groter kunnen zijn.
Er waren veel minder mensen in de stad dan nu. Uit een artikel in het Parool: “Halverwege de jaren tachtig bereikte het aantal Amsterdammers een naoorlogs dieptepunt. Tussen 1965 en 1984 vertrokken zo’n 425.000 inwoners uit de stad, ongeveer de helft van de bevolking. Wijken als de Jordaan en De Pijp stonden op instorten. Er was veel werkloosheid en armoede. Krakers, junks en prostituees maakten de dienst uit op straat. De stad was in crisis.”
De Amsterdammers die bleven vormden dus een relatief kleine gemeenschap. De meesten kenden hun buren, iedereen sprak dezelfde taal en deelde dezelfde mores, en juist in crisistijd zoeken mensen elkaar op – bijvoorbeeld in bruine cafés.
De bevolkingssamenstelling was ook homogener dan nu. Ja, Nederland was in de jaren 70 begonnen met het aantrekken van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders, maar dat waren er in verhouding niet veel.
Vanaf de jaren 90 groeide de stad weer, eerst voorzichtig, later explosief. Nieuwe bewoners kwamen uit alle windstreken, de economie trok aan, buurten knapten op, en Amsterdam veranderde van een relatief kleine, overzichtelijke gemeenschap in een veel grotere, internationalere stad.
Dat had meerdere oorzaken. De wereldbevolking nam tussen de jaren 80 en 2000 met ruim twee miljard mensen toe, en Amsterdam was onderdeel van die wereldwijde beweging: de stad kreeg er tienduizenden bewoners bij, waarbij ook de hoeveelheid massatoerisme, expats, studenten en vluchtelingen toenam. Buurten werden gemengder en mensen bleven minder lang op dezelfde plek wonen. Amsterdam-West was zelfs even de buurt met de meeste nationaliteiten ter wereld: 173 in totaal. Doordat de stad zo opbloeide, stegen ook de vastgoedprijzen, waardoor veel kleine, oude cafés de huur niet meer konden opbrengen.
Tegelijkertijd nam het internet, en later social media een enorme vlucht: in 1995 gebruikte nog maar 4% van de Nederlanders internet en vijf jaar later, in 2000, was dat meer dan de helft. Daardoor vonden mensen elkaar steeds vaker online, in plaats van in hun eigen straat of stamkroeg.
De rekening graag
Tijd om de kassa op te maken en de fooi te tellen.
Door al die ontwikkelingen is de horeca in Amsterdam totaal veranderd. Wat vroeger onze vaste plekken, huiskamers en buurthuizen waren, is steeds vaker hip, duur en gericht op anonieme, eenmalige bezoekers. Andere uitbaters zoeken de niches op en bieden de meest bijzondere of bizarre drankjes of gerechten aan – als het maar gezond is. Omdat er zo’n enorm personeelstekort in de Amsterdamse horeca is, wordt er personeel uit andere landen aangenomen en het verloop is groot. Het warme ‘Hee, moppie!’ van vroeger is vervangen door een afstandelijk ‘Hi, how can I help you?’
Ik weet het, het zijn allemaal begrijpelijke en soms zelfs goede ontwikkelingen. Ik hou van onze levendige kleurrijke stad die zoveel mooie culturen (en daarmee ook zoveel lekker eten en drinken!) herbergt, maar toch mis ik soms het platte Amsterdams, de zooi op straat, het ongereguleerde uitgaansleven – en ja, vooral die bruine kroegen. Zoeentje met smoezelige rode Perzische kleedjes op de tafels, kristalgeslepen asbakken, een barman of -vrouw die bij het interieur hoort. En dan met een lekker sigaretje en een drankje een potje toepen met de andere vaste klanten…
Bronnen en andere borrelnootjes
Trimbos – de geschiedenis van de alcoholwet
Parool – wat is er veranderd in de stad sinds de crisis in de jaren tachtig
Amsterdam.nl – geweld en onschuld in de jaren 80
AD – Terug naar 1980: criminaliteit was een makkie en cellen vol heroïnejunks
Rozenberg Quarterly – High Amsterdam ~ Uitgaan en drugs tussen interbellum en jaren tachtig
Onderzoek.Amsterdam.nl – de loop van de Amsterdamse bevolking
Wikipedia – bevolking Amsterdam
