Leven in The Afterlife

In september 2014 las ik een Facebookpost van de toen zeventienjarige Rana Mourtaja, die haar leven in Gaza beschreef. Dat vond ik zo indringend dat ik het met haar toestemming vertaalde. Je kunt die vertaling hier lezen: Is 53 seconden genoeg om mijn ziel bij elkaar te rapen.
Voor wie het niet meer scherp heeft: het leven in Gaza was ook vóór oktober 2023 al nooit vredig. Generaties groeiden op onder blokkades, bombardementen en voortdurende dreiging.

Rana is inmiddels 28 en woont in Madrid. Afgelopen week, in de nasleep van de grootschalige vernietiging van Gaza, deelde ze weer zo’n indrukwekkend stuk dat ik haar vroeg of ik ook dit mocht vertalen en plaatsen. Wat je politieke standpunt ook is, ze maakt voelbaar waar veel ontheemden over de hele wereld mee kampen.

Het oorspronkelijke stuk is geschreven in het Arabisch, dat veel poëtischer is dan het Nederlands. Ik heb – met behulp van vertaalmachines en AI, want ik kan geen Arabisch lezen – geprobeerd om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven, maar me soms wel wat kleine vrijheden veroorloofd om de juiste essentie over te brengen. Feedback is welkom.


 

Onderstaande zijn fragmenten die ik in de afgelopen twee jaar schreef.

Er komt een dag waarop onderdrukking en tirannie verdwijnen en ons volk kan leven – maar dat moment is misschien nog niet aangebroken. Onze weg is lang, en onze ballingschap brandt onder het geweld van de vijand en de ketenen van de cipier.

(1) Madrid / Alcalá – The afterlife
Ik woon nu in Madrid, waar het leven voelt als the afterlife – alsof ik in het hiernamaals ben beland zonder dat ik eerst gestorven ben. Ik heb in deze twee jaar geprobeerd te bevatten wat voor iemand uit Gaza eigenlijk onmogelijk te bevatten is.

Ik ben bevallen van mijn zoon.
Ik werk aan een boek dat geschiedenis en genocide met elkaar verweeft, waar ik jullie in januari meer over zal vertellen.
Ik probeer mijn leven te leiden, terwijl ik probeer me af te sluiten voor het nieuws uit Gaza.
Ik probeer Spaans te leren.
Ik heb hier nieuwe vrienden gemaakt, en probeer mijn oude vrienden te behouden.

Het zijn dagelijkse dingen, kleine handelingen in een gewoon leven – een leven buiten de grenzen van Gaza.

Madrid is mooi – the afterlife is mooi – hoe het eruitziet, hoe het voelt, alles.
Maar bij elke stap die ik zet, probeer ik het gevoel te negeren dat dit leven eigenlijk niet het mijne is. Alles om me heen is zorgvuldig vormgegeven, perfect bijna, terwijl ik – vaak zonder me daar bewust van te zijn – voortdurend worstel met het beeld van mijn vroegere leven, en hoe dat er nu uitziet terwijl het live wordt uitgezonden: verward, kwetsbaar, in het lot dat mij vanuit Gaza is toebedeeld.

In Gaza vielen leven en sterven samen: elke dag werd geleefd aan de rand van het verdwijnen, elke seconde doordrenkt met een scherp, onbewust besef dat het einde dichtbij was.
En nu, nu ik toevallig een paar dagen vóór de genocide ben vertrokken, laat één existentiële vraag me niet los: hoe leeft een mens in the afterlife zonder eerst te zijn doodgegaan?
Wie leert me hoe ik in Madrid moet leven, met ogen die hebben gezien wat niemand hier heeft gezien – wat mijn volk heeft gezien?

(2) Heimwee als heldendaad
Wanneer Eileen me naar het huis vraagt, wacht ik op het moment dat ze zegt dat ze hoopt dat Israël het niet echt heeft beschadigd – en het allemaal wel te overzien is als de er alleen maar kapotte ramen en wat scheuren zijn.
Dan knik ik, en durf niet te zeggen wat we eigenlijk al weten.
Ik luister naar wat ik wíl horen, zonder het hardop te zeggen.
Door Eileen leer ik om te gaan met mijn heimwee.
‘Ik wil niet dat Israël aan mijn spullen komt. En als er iets kapot is, dan maken we het gewoon.’

Aan het begin van de genocide had ik steeds dezelfde droom: dat ik terugkeerde naar huis.
Het was niet echt ons huis, niet dat van mij en Majd, maar in de droom voelde het toch als het onze. Ik zag overal soldaten, en ik mompelde in het Russisch om mijn afkomst te verhullen (ja, echt sneaky) en liep als een schaduw tussen hen door. Ik verzamelde zoveel mogelijk van mijn en Eileens spullen om ze veilig te stellen.

Het wrange was dat de soldaten in die periode het huis werkelijk hadden ingenomen.

In die momenten dat we de heimwee in onszelf proberen te doden – bijna tot het punt dat we onszelf wijsmaken dat we de details van ons huis zijn vergeten – weet ik dat mijn heimwee, in deze vorm, geen luxe of sentimentele zwakte is. Het is een daad van verzet. Een heldhaftige handeling. Een collectieve Gazaanse verdedigingslinie tegen het vergeten, tegen uitgevaagd worden.
Ik verlang niet naar een specifieke plek, een geur of een voorwerp. Ik verlang naar bestaan. Naar toekomst. Tegen alle krachten in die proberen de menselijkheid van een Gazaan te vervormen.

Dat is wat ik aan mijn kinderen en aan de komende generaties wil nalaten: dat ik me blijf vasthouden aan een bestaan tussen twee werelden, als een bewijs van onze vasthoudendheid als gemeenschap – ondanks alles wat ons uiteen probeert te drijven.

(3) Europese adviezen voor een Gazaan met slapeloosheid
In de geest van de uitspraak ‘als je een echte vent bent’: probeer maar eens aan iemand die niet uit Gaza komt uit te leggen dat je ’s nachts niet kunt slapen.
Hier, in de diaspora – ik weet niet hoe het voor andere Gazanen elders is, en ik wil niet generaliseren – krijg je eerst het advies om je af te sluiten voor het nieuws uit Gaza en je leven te leven. Daarna krijg je de tweede standaardoplossing: pillen om je slaap en je angst te reguleren.

Voor mij voelt dat als een onderdeel van een nieuw, brandend, paternalistisch systeem dat collectieve politieke pijn – waar zoveel mensen mee kampen – reduceert tot een individueel psychisch probleem. Een probleem dat je moet neutraliseren, behandelen, oplossen. Want jouw pijn, vriend, moet worden omgezet in iets persoonlijks, iets dat je kunt fixen.

Na een paar ochtenden word je dan wakker, misschien zonder de lelijkheid van de wereld onder ogen te hoeven komen – die wereld die je steeds weer laat voelen dat je er niet toe doet. Misschien kom je dan zelfs Haifa Wehbe tegen.
[Noot: Haifa Wehbe is een Libanese popster en glamouricoon. De verwijzing naar haar lijkt ironisch bedoeld, om het contrast te schetsen tussen de rauwe realiteit van Gaza en een afgevlakte pillenrealiteit. Er had ook kunnen staan ‘Misschien kom je dan zelfs Barbie tegen.’]

(4) Over mijn huis / het huis van mijn familie
Mensen beklimmen van alles, maar pijn hoort daar meestal niet bij.
En toch klimmen wij nu tegen onze pijn op. Elke stap kost me weer een stukje van mijn hart – afhankelijk van hoe groot het nieuws of de gebeurtenis is.

Het laatste stukje dat wegviel, was het huis van mijn familie in de wijk At-Tuffah.
In het verlengde van de genocide is het huis gestorven.
Het huis stierf, en daarmee verstomde het knagen, verstomde de pijn.
Het liet ons achter met het geschreeuw – geschreeuw dat wij moeten inslikken, en dat ons tegelijk verslindt.

Mijn grootvader wordt nog altijd elke ochtend wakker en dankt God voor het lot, in al haar vormen.
En ik herinner me de verhalen die hij vertelde over hoe hij het huis bouwde nog precies, en over het huis van zijn ouders dat later door onze buren werd gekocht – en al die details die Israël heeft weggevreten.

Het verwoeste huis liet me de vijfjarige Rana na, in een Arabisch dat ik nu niet eens meer goed beheers, rennend naar haar favoriete uitje: falafel van Abu Ibrahim, terwijl ze de huizen in de Hajar-straat telt – elk met een naam en bijnaam – op weg naar de Yafa-straat en weer terug.
Het liet me de zachte (of luidruchtige) ochtendruzietjes van teta [oma] en seido [opa] na, op de eerste koude dagen, en teta die mompelt terwijl ze naar de keuken rent: ‘Waarom doe je dat raam open, haal gewoon het touw eruit.’
Het liet me alle ochtenden na als het verwende kleinkind dat door opa en oma om de beurt werd gewekt, tot ik me schaamde of één van hen geïrriteerd raakte omdat mijn ontbijt al klaarstond en ik nergens moeite voor hoefde te doen in het leven.
Het liet me de herinnering na aan mijn vaders koffie: hoe niemand het kopje mocht wassen, hoe koud of klein het restje ook was.
Het liet me de dagelijkse verhaaltjes na die mijn vader verzon zodat Mohammed en ik konden slapen.
Het liet me de kwelling na van het verwarmen van zoet water voor mijn haar.
Het liet me de herinnering na aan het versieren van het kleine kerstboompje dat mijn moeder in december neerzette, met cadeautjes eronder (die ik al twee jaar niet meer heb gekregen).
Het liet me het moment na waarop ik Mohammed voor het eerst zag: ik rende naar het trappenhuis om te zien hoe mijn moeder binnenkwam met mijn broer in haar armen.
Op datzelfde trappenhuis, op diezelfde treden, zag ik hem het huis voor de laatste keer verlaten.

Het doet me geen verdriet dat ik hem sindsdien niet meer heb teruggezien.
Het doet me verdriet dat we – misschien uit Gods barmhartigheid – niet weten wat ons te wachten staat.
Ik wou dat we naar dat moment konden terugkeren en het bevriezen, zodat niemand ooit het huis hoefde te verlaten.

Het huis liet me ook alle grappen van mijn vrienden na, hun plagerijen over Shari‘ al-Hajar, At-Tuffah, de ABC, het zwembad van het Tuffah-park en zelfs hun eeuwige verhalen over de riolering – en hoe de buurt bij de eerste regenbui overstroomde, zodat we twee dagen vastzaten.

Net nu ik de luxe heb dat ik me weer een beetje mezelf kan voelen na een lange tijd waarin ik niets meer voelde, komt het nieuws langs – ik lees het, ik hoor het – en ik weet niet eens of ik verdrietig ben of boos.

Ik moet steeds denken aan een zin die ik ooit ergens las: dat een mens de som is van alles wat die ooit heeft liefgehad. En misschien ook van wat die níet liefhad – maar wat ik liefhad, was meer.
Die gedachte hielp me altijd om blij te zijn met wat ik wél kreeg, als ik niet kreeg wat ik wilde.
Maar nu bijna alles wat ik liefhad is gedood, alles wat me herinnerde aan de versie van mezelf die ik graag had… zie ik mijn oude zelf – mijn kleine zelf, die ik liefheb – naast me liggen, naar adem happend, haar hand naar me uitstrekkend terwijl ze mijn naam roept.
Mijn naam, waarvan ik denk dat ze me niet meer past.

Alsof er nu een grens is tussen mij en mijn oude zelf – een grens die nooit overbrugd zal worden.
Mijn oude zelf roept mijn naam en sterft, en ik blijf achter, voor altijd struikelend, met haar geur die me overal volgt – de geur van haar lichaam, waar ik ook ga.

Kon ik de ochtenden in Gaza maar terughalen.
Eén dag maar, in haar armen.
Dat ik als het verwende kleinkind wakker word voor het ontbijt dat al op tafel staat.
Dat ik rondloop en in mijn hoofd grapjes maak – of scheld – en mijn gedachten overstem met mijn koptelefoon.
Dat ik een vriend tegenkom.
Dat mijn dag gewoon, normaal, rustig verloopt tot ik naar haar zee loop – en haar zee me in zich opneemt.

Ooit zal ik in haar zee liggen, de zee die Gaza voor altijd zal vergezellen.
En Gaza zal naast die zee liggen als een levenloos lichaam, als een griezelverhaal dat bijna niet te bevatten is – net als het griezelverhaal dat haar nu wordt aangedaan.

Mijn enige vijand, Israël, probeert onze meest instinctieve, menselijke verlangens te vervormen – en het lijkt ze deze keer te lukken, hoe pijnlijk het ook is om dat toe te geven.
Israël heeft zelfs mijn verlangen om te blijven leven ondermijnd.
Gefeliciteerd, Israël. Er zit geen adem meer in me.
Je bent erin geslaagd ons ons eigen leven te laten haten, omdat het feit dat we blijven bestaan al als een vijandige daad wordt gezien.

Er zit zoveel pijn in me, elke dag.
Vandaag wurgt de pijn me.
Ik sta oog in oog met de stortvloed aan herinneringen aan mijn huis en het huis van mijn familie.

En ik ben doodsbang dat die herinneringen met de tijd zullen vervagen.
Ik ben bang voor het verlies van zoveel delen van mezelf.
Ik ben bang voor de nieuwsbeelden van de wijk – de wijk die ik op mijn duimpje kende en die in die beelden verandert in as.

Ik weet dat het belachelijk is dat ik hierom huil, terwijl er zoveel groters gebeurt.
Het gaat hier niet over de mens in het algemeen, en ook niet over statistiek.
Ik huil om al mijn fysieke en symbolische ruimte die Israël in de lengte en de breedte heeft verbrijzeld.

De eerste plek die mijn geheugen droeg – als ik het nostalgisch wil zien als ‘het eerste huis van een kind’ – was niet Gaza, en zelfs niet het huis van mijn grootvader (al doet het verlies daarvan ook pijn). Het was het huis van mijn grootvader van moederskant, ergens anders in de wereld. Mijn foto’s hingen er aan de muur, mijn speelgoed lag er opgeslagen sinds mijn eerste kreet.
Maar bij God – het familiehuis in Gaza was mijn alles.
Het was mijn anker in de wereld, dat Israël nu vernietigt, doorboort en hervormt.
Het was de identiteit die ik vormde vanaf de voordeur, door elke straat van Gaza.
Dit is het verdriet dat mijn hart verbrandt en laat bloeden.

5) Voor jou zong ik, mijn wereld en mijn mensen
Mijn open wonden zijn verweven met een ontsnappingstechniek die ik al sinds mijn kindertijd gebruik: ik luisterde naar alle liedjes, ik onthield ze allemaal, en ik lachte om de grappen van mijn vrienden over mijn ‘doelloze geheugen’ en mijn schaamteloze muzieksmaak.
Ik ken een enorme hoeveelheid liedjes uit allerlei tijdperken. Ik vlucht altijd voor mijn gedachten door muziek hard te zetten — met of zonder koptelefoon.
En meestal zijn liedjes voor mij verbonden aan situaties, plekken of gevoelens die ik ooit heb meegemaakt (niet dat ik er nu per se nog door geraakt word als ik eraan denk).

Ik herinner me dat ik meedeed aan theater- en dansrepetities in het Qattan-kindercentrum – drie keer per week, vier uur per dag.
Op donderdag was het dansdag. Ik herinner me hoe Wahid Abu Shahma, de dabke- en danstrainer, een lied opzette en de kinderen vroeg te improviseren.
Ik hield niet van dat lied, waarom wist ik niet, maar ik genoot van de les.
En toen ik het lied jaren later weer hoorde, terwijl ik door een oude SoundCloud-afspeellijst bladerde waarvan ik het wachtwoord kwijt ben… stroomden de tranen over mijn wangen. Het had maar één betekenis:
‘Gaza.’

Toen besefte ik dat ik in the afterlife rondloop, en begreep ik – met alle gevoelens en alle woorden hierboven – eindelijk hoeveel ik draag.
Hoe ik, zoals elke Gazaan, rondloop met het recht van Gaza op mijn schouders.
We lopen allemaal, en ieder van ons draagt het recht van Gaza alleen.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.