Ik liep op de Kinkerstraat, toen ik een rijzige oudere man zag lopen met een prachtige cognackleurige hond achter hem aan, los, door die drukke straat. We moesten beiden bij de sigarenboer zijn.
In de winkel zag ik dat de hond vreselijk goed naar de man luisterde, dus ik kon het niet laten om hem daar een compliment over te geven en mijn hoop uit te spreken dat me dat met mijn pup ook ooit zou lukken. Bewonderend voegde ik eraan toe: “En los… over die drukke Kinkerstraat… knap hoor…”
Hij gaf geen antwoord. In plaats daarvan kreeg ik zijn visitekaartje. Ik legde uit dat ik al twee trainers heb, maar nee, hij was anders: een hond-in-de-stadtrainer.
Natuurlijk was ik benieuwd hoe hij dat aanpakte, en hij begon op autoritaire toon te vertellen wat hij deed:
“Kijk, een hond moet natuurlijk zijn plaats weten hè. Duidelijk zijn, grenzen stellen, consequent zijn.”
Ik knikte instemmend, so far so good.
“En als ze dan niet luisteren, duidelijk corrigeren.”
“Oh, hoe dan?”
“Gewoon, een ferme tik.”
“Nou ehh… ik probeer mijn hond vooral te belonen voor wat ze goed doet, en slecht gedrag te negeren. Ik heb het niet zo op dieren slaan. Bovendien is mijn hond een zachtaardig meissie dat het heel graag goed wil doen.”
“En wat doe je dan als ze je dure pumps te grazen neemt?” vroeg hij, met een strenge blik.
“Die liggen niet los in huis, die liggen gewoon in een kast.”
“Aha! Vermijdingsgedrag! Nee, je moet ze corrigeren, dat doen ze onderling ook.” antwoordde hij, bijna bestraffend.
“Maar ik ben geen hond, maar een mens dat vier keer zo groot is als zij. Als ik ‘nee’ zeg luistert ze heel goed, dus slaan is helemaal niet nodig…” mompelde ik kleintjes.
Het had geen zin. Geslagen moest er worden. Ik realiseerde me dat hij waarschijnlijk op dezelfde autoritaire toon tegen zijn honden sprak, en gelukkig was hij aan de beurt voor ook ik een corrigerende tik te pakken had.
Eenmaal buiten gooide ik zijn visitekaartje meteen in de prullenbak.
